Koningschieten

Om het andere jaar, en wel in het even kalenderjaar, wordt opwaarts naar de vogel “Koning” geschoten. Dit vindt plaats op een zondag op of omstreeks 29 juni. Alleen volwaardige, beëdigde gildebroeders zijn gerechtigd naar de vogel te schieten, met uitzondering van de Hoofdman en de Keizer.

Om half twee geeft de Hoofdman het bevel voor de afmars vanaf de gildekamer naar de schutsboom. De tamboers met gepoetste trommen, de vendeliers met gepoetste vendelknoppen. Bij de schutsboom aangekomen trekt het hele gilde driemaal om de boom, waarna de koning zijn koningsmantel met het zilver, die hij twee jaar mocht dragen, aan de schutsboom hangt.

Nadat de Hoofdman een kort gebed heeft uitgesproken, wordt er geloot om de volgorde bij het schieten “ordelijk en zonder ruzie te laten verlopen”.  De Overheid heeft tijdens het koningschieten te allen tijde het recht de vogel losser, c.q. hoger te zetten.

Na de loting offert iedere gildebroeder € 10,00 op de gildetrom. Dit als bijdrage in de traktatie door de nieuwe Koning en de te behalen prijzen.

De Eredeken (bij zijn afwezigheid de Hoofdman) opent de verschieting met drie vrijwaringsschoten naar de vogel. Daarna de oude Koning en vervolgens de overige gildebroeders.

Wanneer iemand het laatste stuk of de gehele vogel van de boom schiet, zal de Overheid zich terugtrekken en zich beraden of diegene een waardig Koning van het St.Hubertusgilde zal zijn. Wanneer de uitslag positief is, vraagt de Hoofdman hem: “Nieuwe Koning, gildebroeder……..Zijt gij bereid het koningschap te aanvaarden met alle rechten en verplichtingen aan dit Koningschap verbonden?” Antwoord: “Ja”. De Hoofdman hangt, onder tromgeroffel, de nieuwe Koning de koningsmantel met het zilver om, gevolgd door een driewerf “Hoera”.

Het gilde trekt driemaal om de boom

De Koning kiest, zodra hij het koningschap aanvaard heeft, een Koningin. Zij wordt verwittigd, zodat zij op tijd bij de installatie, die voor de deur van het gildehuis plaatsvindt, aanwezig kan zijn.

De Hoofdman beveelt de afmars naar het gildehuis en daarbij draagt de Koning de resten van de vogel aan zijn wapen en bloemen mee.

Bij de deur van het gildehuis aangekomen, begint de installatie en de huldiging. De Koning wast zijn handen in een zilveren schaal en laat daarin een zilveren munt vallen. Daarna legt hij zijn linkerhand op het vaandel en legt de Koningseed af. Daarna knielt hij op het vaandel en gaat daarna als eerste het gildehuis binnen, waarna men “met mate, zonder twisten en gekrakeel, vrolijk zal wezen”. 

De nieuwe koning wast zijn handen “in onschuld”